Baas in eigen buik?
Meer dan vijftig jaar nadat de Dolle Mina’s de leus ‘Baas in eigen buik’ lanceerden, is de strijd om zelfbeschikking over het eigen lichaam nog altijd actueel. Filosoof en vroedvrouw Rodante van der Waal verbreedt de bekende slogan. Hoeveel ruimte krijgen vrouwen om zelf keuzes te maken over hun vruchtbaarheid, hun bevalling en de omgeving voor het opgroeien van hun kinderen? Een gesprek over reproductieve rechtvaardigheid, zelfbeschikkingsrecht, obstetrisch geweld en radicale zorgverlening.
‘Baas in eigen buik’ is een leus die de Dolle Mina’s in 1970 gebruikten. Toch kies jij die slogan, meer dan vijftig jaar later, als titel van je boek. Vanwaar deze keuze?
Op het eerste gezicht lijkt die leus misschien gedateerd, maar de eisen waarvoor de Dolle Mina’s destijds streden zijn nog altijd niet volledig ingelost. Hun strijd draaide om zelfbeschikking over het eigen lichaam en die is ook vandaag niet vanzelfsprekend. In Nederland staat abortus bijvoorbeeld nog steeds in het Strafwetboek en in België geldt nog altijd een verplichte bedenktijd.
Kiezen voor een zwangerschap mag niet betekenen dat je autonomie moet inleveren
De ophef rond het Nederlandse initiatief Thuisabortus, waarbij arts Peter Leusink en collega’s online abortuspillen aanbieden toont aan dat we aan het begin van een zwangerschap nog steeds niet volledig baas zijn over ons eigen lichaam.
Met mijn boek wil ik die leus van de Dolle Mina’s nieuw leven inblazen en ook verbreden. ‘Baas in eigen buik’ wordt meestal alleen gekoppeld aan de keuze om wel of niet zwanger te zijn. Voor mij stopt zelfbeschikking daar niet. Ook tijdens de zwangerschap en de bevalling moeten vrouwen zeggenschap hebben over hun lichaam. Kiezen voor een zwangerschap mag niet betekenen dat je autonomie moet inleveren.
Daarbij gaat het niet alleen over autonomie, maar ook over betekenisgeving. Hoe ervaar je je vruchtbaarheid? Hoe beleef je je zwangerschap? Op welke manier wil je bevallen? Veel vrouwen voelen zich tijdens die periode van de zwangerschap vervreemd van hun eigen lichaam. De vraag is dus hoe we dat proces opnieuw meer van henzelf kunnen maken.
In je boek heb je het over reproductieve rechtvaardigheid. Wat versta je daaronder?
De term komt van het Amerikaanse Reproductive Justice, een beweging die in de jaren negentig werd ontwikkeld door zwarte feministen. Zij wilden het debat over vruchtbaarheid verbreden.
Voor zwarte vrouwen, inheemse gemeenschappen en mensen in gekoloniseerde gebieden zag reproductief onrecht er namelijk heel anders uit. Zij werden niet geconfronteerd met een gebrek aan abortuszorg, maar juist met gedwongen abortussen, gedwongen sterilisaties of baarmoederverwijderingen. In gekoloniseerde gebieden werden kinderen bij hun ouders weggehaald en in weeshuizen ondergebracht. Voor hen ging de strijd dus net over het recht om kinderen te mogen krijgen en zelf voor hen te mogen zorgen.
Vanuit die geschiedenis ontstond het begrip reproductieve rechtvaardigheid. Net als de leus ‘Baas in eigen buik’ nodigt het uit om met een bredere blik naar vruchtbaarheid te kijken. Abortus is lange tijd de meest zichtbare strijd geweest, maar reproductieve rechtvaardigheid omvat veel meer.
Daarom vertrekt het concept vanuit drie fundamentele rechten: het recht om kinderen te krijgen, het recht om geen kinderen te krijgen (waaronder de strijd voor abortus valt) en het recht om kinderen in waardigheid groot te brengen, zodat zij ook kunnen floreren. Het gaat dus niet alleen om de keuze om wel of niet zwanger te zijn, maar ook om de omstandigheden waarin ouders en kinderen kunnen leven.
In je boek schrijf je over ‘obstetrisch geweld’, een term die nog relatief onbekend is. Wat betekent die precies?
Obstetrisch geweld sluit aan bij dat derde principe van reproductieve rechtvaardigheid: kinderen in waardigheid kunnen krijgen. Het gaat ook over het doortrekken van ‘Baas in eigen buik’ tot aan de bevalling.
Zelfs in landen als België en Nederland, waar de gezondheidszorg over het algemeen goed georganiseerd is, krijgen veel mensen tijdens hun zwangerschap of bevalling te maken met grensoverschrijdend of respectloos gedrag. In de internationale literatuur wordt dat obstetric violence of ‘obstetrisch geweld’ genoemd.
Het gaat niet om individuele artsen die bewust geweld plegen, maar om een structureel probleem binnen de geboortezorg. In de praktijk worden de grenzen van barende mensen nog te vaak overschreden, bijvoorbeeld door een inwendig onderzoek of een knip uit te voeren zonder expliciete toestemming. Ook minder zichtbare vormen horen daarbij, zoals vrouwen die standaard op hun rug moeten bevallen zonder dat ze weten dat er alternatieven zijn of zonder de vrijheid te ervaren om een houding te kiezen die voor hen goed voelt.
Degene die zorg ontvangt, bepaalt uiteindelijk of iets als zorg wordt ervaren
De term obstetrisch geweld roept veel weerstand op, zeker bij zorgverleners die zich vaak persoonlijk aangevallen voelen. Dat begrijp ik. Mensen in de zorg werken hard en willen mensen helpen. Toch is het belangrijk om de ervaring van de patiënt centraal te stellen.
Zorgethicus Joan Tronto zegt dat degene die zorg ontvangt uiteindelijk bepaalt of iets als zorg wordt ervaren. Wanneer vrouwen aangeven dat hun bevalling als geweld of grensoverschrijdend aanvoelde, is het die ervaring die telt. Dan is de vraag niet of de zorgverlener het goed bedoelde, maar hoe we de zorg anders kunnen organiseren om ervoor te zorgen dat deze ervaring zich niet herhaalt.
De term obstetrisch geweld ontstond begin jaren 2000 in Latijns-Amerika, waar activistische moeders die term gebruikten om hun traumatische ervaringen te benoemen. Daarom vind ik het belangrijk om die benaming ook te blijven gebruiken. Als we ze vervangen door een andere formulering, ontnemen we deze vrouwen opnieuw de taal waarmee ze hun ervaringen hebben benoemd. Dat versterkt het gevoel dat ze niet gehoord of ernstig genomen worden.
Uiteindelijk is dat precies waar obstetrisch geweld over gaat: moeders worden niet serieus genomen. Alsof je tijdens een bevalling plots niet langer volwaardig kunt meebeslissen over wat er met je lichaam gebeurt.
Je schrijft ook dat er een grote kenniskloof bestaat tussen barenden en zorgverleners. Ook dat kan leiden tot obstetrisch geweld.
Absoluut. Zelfs wanneer je veel kennis hebt, blijft het moeilijk om tegen een arts in te gaan.
Ik heb dat ook zelf ervaren. Ik beviel thuis onder begeleiding van een bevriende vroedvrouw. Na de geboorte moest mijn baby naar het ziekenhuis omdat hij te snel ademde. Daar wilde men hem een antibiotica-infuus geven. Als verloskundige zou ik zelf voor een andere interventie gekozen hebben. Zelfs met alle kennis die ik als verloskundige heb, vond ik het heel erg moeilijk om tegen de arts in opleiding in te gaan. Moet je je voorstellen hoe dat is als je geen medische achtergrond hebt.
Daarom ligt de verantwoordelijkheid niet bij de patiënt, maar bij de zorgverlener. Die moet ruimte creëren om vragen te stellen, te twijfelen, een tweede opinie te vragen of nee te zeggen.
Hetzelfde zie je bij de houding waarin vrouwen bevallen. In Nederland bevalt ongeveer tachtig procent van de vrouwen op de rug, terwijl wetenschappelijk bekend is dat dat niet de beste houding is. Toch verandert dat nauwelijks, omdat artsen zo worden opgeleid en weinig ervaring hebben met andere manieren van bevallen. Dat is een cultureel probleem binnen de geboortezorg, terwijl sommige veranderingen eigenlijk heel eenvoudig zouden kunnen zijn.
Uit cijfers blijkt dat zwarte moeders en andere gemarginaliseerde groepen een hoger risico lopen om te overlijden tijdens zwangerschap of bevalling. Daarnaast schrijf je dat mensen in een asielcentrum vaak moeilijker toegang hebben tot medische zorg. Wat zeggen die verschillen over onze gezondheidszorg? Speelt afkomst of sociale positie nog altijd een rol in de kwaliteit van de zorg die mensen krijgen?
Ja, absoluut. Vaak gebeurt dat onbewust, maar de verschillen zijn wel degelijk aanwezig.
Een schrijnend voorbeeld zie je bij de opleiding van zorgverleners. Studenten moeten praktijkervaring opdoen en dat gebeurt opvallend vaak bij mensen van kleur of mensen in een kwetsbare positie. Hoogopgeleide witte vrouwen krijgen doorgaans expliciet de vraag of een student aanwezig mag zijn tijdens hun bevalling. Zij weigeren dat geregeld, omdat ze liever geen extra publiek hebben of willen dat medische handelingen door een ervaren zorgverlener worden uitgevoerd. Studenten moeten echter wel kunnen oefenen. Daardoor wordt bij mensen van kleur of gemarginaliseerde groepen veel minder vaak om toestemming gevraagd. Studenten worden naar voren geschoven en voeren soms intieme medische handelingen uit zonder dat daar expliciet toestemming voor is gegeven.
Harriet Washington noemt dat medische apartheid. Zij beschrijft hoe bepaalde groepen historisch gezien werden gebruikt voor medische experimenten en opleidingen, terwijl de gezondheidsvoordelen uiteindelijk vooral terechtkwamen bij andere bevolkingsgroepen. Volgens haar werkt die geschiedenis vandaag nog altijd door in de gezondheidszorg.
Dat voorbeeld laat zien dat niet iedereen op dezelfde manier wordt behandeld. Wie je bent, je huidskleur, opleidingsniveau of maatschappelijke positie hebben invloed op de zorg die je krijgt.
In je boek haal je de Nederlandse gynaecoloog Gunilla Kleiverda aan die stelt dat we af moeten van het verschil tussen anticonceptie en abortus. Zij ziet het als zorg voor vrouwen die niet zwanger willen zijn. Ben je hier voorstander van? Wat zou dit maatschappelijk betekenen?
Ik ben hier zeker voorstander van. Historisch gezien was dat onderscheid ook veel minder scherp. Vandaag weten we dankzij zwangerschapstesten al heel vroeg dat iemand zwanger is. Daardoor spreken we ook heel vroeg over een embryo en over abortus. Dat is eigenlijk een vrij moderne manier om naar zwangerschap en vruchtbaarheid te kijken.
Vroeger was het niet mogelijk om zo vroeg een zwangerschap vast te stellen. Vaak werd pas van een zwangerschap gesproken wanneer de vrouw de foetus voelde bewegen. Daardoor was het veel meer een grijs gebied. Als een zwangerschap vroeg eindigde, werd dat eerder gezien als een terugkeer van de menstruatie.
Het is alsof een zaadje al als een boom wordt beschouwd
Ik denk dat dat een veel betere manier is om naar vruchtbaarheid te kijken. Ook biologisch is het begin van een zwangerschap een grijze zone: een embryo moet zich nog verder ontwikkelen en de kans op een miskraam is in die eerste weken groot. Dat neemt uiteraard niet weg dat mensen kunnen rouwen om een miskraam. Mensen kunnen ook verdriet hebben wanneer hun menstruatie terugkomt, omdat die uitblijvende zwangerschap een gemis betekent. Dat doet niets af aan die persoonlijke gevoelens.
Maar als we het begin van een zwangerschap meer als een grijs gebied beschouwen, waarin mensen zelf kunnen bepalen of een klompje cellen voor hen al dan niet een kind is, dan kijken we ook anders naar abortus. Dan krijgen vrouwen meer zelfbeschikking over hun lichaam en hun vruchtbaarheid. Wat we vandaag zien, onder invloed van de actieve anti-abortusbeweging, is dat een bevruchte eicel of een heel pril embryo gelijkgesteld wordt aan een kind. Om het met een metafoor te zeggen: het is alsof een zaadje al als een boom wordt beschouwd. Dat klopt ontologisch niet; je schrijft eigenschappen toe aan iets wat er nog niet is.
Bij een zwangerschap van bijvoorbeeld vijf weken zou een zwangerschapsafbreking voor mij dan ook niet noodzakelijk als een abortus moeten worden gezien. Het woord ‘abortus’ is erg beladen en wordt al snel geassocieerd met het beëindigen van een toekomstig leven. Dat maakt de ervaring voor veel vrouwen zwaarder, ook wanneer ze zeker weten dat ze niet zwanger willen zijn.
De Nederlandse wetenschapsfilosofe Trudy Dehue verwoordt het mooi: je kunt voorbehoeden én nabehoeden. Er is een spermacel in je lichaam en misschien het begin van iets dat een zwangerschap zou kunnen worden, maar je kunt ook beslissen om dat proces niet verder te laten gaan en terug te keren naar je menstruatie. Ik denk dat dat een veel vrouwvriendelijkere manier is om naar vruchtbaarheid te kijken.
Hoe ziet volgens jou de ideale geboortezorg eruit?
Voor mij is dat ‘radicale’ zorg: kleinschalige, persoonlijke zorg waarin de waarden en wensen van de zwangere centraal staan. Dat klinkt misschien ambitieus, maar eigenlijk is het een eenvoudig uitgangspunt. Bovendien geloof ik dat zo’n aanpak uiteindelijk goedkoper kan zijn dan de huidige, sterk geïnstitutionaliseerde zorg.
Gelukkig bestaan er al heel wat vroedvrouwpraktijken die op die manier werken, ook in België. Wanneer je begeleid wordt door iemand die je kent en vertrouwt, wordt het veel gemakkelijker om vragen te stellen of je grenzen aan te geven. Daardoor is de kans kleiner dat je instemt met zorg waarbij je je eigenlijk niet goed voelt.
Als we echt voor die vorm van geboortezorg kiezen, betekent dat wel dat macht en middelen gedeeltelijk moeten verschuiven van grote ziekenhuizen naar kleinschaligere zorgmodellen.