Het eerherstel van de mens

Het voorjaar van 2025 bracht voor de Nederlandstalige vrijzinnigheid een langverwacht filosofisch monument binnen handbereik. Met de allereerste Nederlandstalige vertaling van Ludwig Feuerbachs Das Wesen des Christentums (1841) door Karel D'huyvetters – als openingsdeel van de reeks Vrijdenkers bij uitgeverij Damon – krijgt de westerse religiekritiek een van haar invloedrijkste teksten opnieuw ter beschikking. Nadat de 150e verjaardag van Feuerbachs overlijden in 2022 internationaal al leidde tot een intellectuele herwaardering, groeit het besef dat zijn werk fundamenteler is dan ooit. In een tijdsgewricht waarin religieus dogmatisme de Verlichtingswaarden opnieuw onder vuur neemt, biedt Feuerbach ons geen kille, destructieve ontkenning van geloof, maar een grandioos eerherstel aan de mens. Met recht en rede kunnen we Feuerbach beschouwen als een van de grondleggers van het hedendaagse seculier humanisme, zoals Johan Braeckman aangeeft in zijn inleiding bij het boek.

Om de reikwijdte van Feuerbachs inzicht te begrijpen, moeten we inzien dat zijn werk aansluit bij een eeuwenoude intellectuele traditie van religiekritiek. De rationele deconstructie van religie begon immers al bij de Griekse presocraten, die natuurfenomenen begonnen te ontleden zonder beroep te doen op bovennatuurlijke verklaringen, zonder te verwijzen naar goddelijke krachten. De dichter-filosoof Xenofanes van Colophon legde reeds in de zesde eeuw voor onze jaartelling het antropomorfisme van de mythologie bloot met meedogenloze helderheid. Hij observeerde dat de Ethiopiërs hun goden afbeeldden als zwart met platte neuzen, terwijl de Thraciërs hun goden rood haar en blauwe ogen gaven. Zonder schroom formuleerde Xenofanes het klassieke inzicht: ‘Mochten paarden en runderen handen hebben en kunnen tekenen, dan zouden paarden goden tekenen die op paarden lijken, en runderen goden die op runderen lijken.’ Eeuwen later zou de Schotse Verlichtingsfilosoof David Hume in zijn Gesprekken over de natuurlijke religie het populaire ontwerpargument – de gedachte dat de natuur een goddelijke ‘horlogemaker’ vereist – met ijzeren logica afbreken. Maar waar zijn voorgangers het geloof in goden vooral zagen als een naïeve misvatting of een gebrek aan empirische kennis, volbracht Feuerbach een belangrijke verdieping. Hij begreep dat het goddelijke geen toevallige misvatting is die zich vlot laat corrigeren, maar ontspringt aan een intrinsiek psychologisch mechanisme. Feuerbach zag dat we de godsdienst pas werkelijk doorgronden wanneer we niet alleen inzien dát de mens God naar zijn eigen evenbeeld schept, maar ook begrijpen waarom hij dat doet – en welke zware prijs hij daarvoor betaalt.

Het antwoord op die waarom-vraag schuilt volgens Feuerbach in het menselijke ‘soortbewustzijn’ (Gattungswesen). De mens is het enige wezen dat in staat is om te reflecteren op de universele vermogens van zijn eigen soort. Die vermogens zijn volgens Feuerbach terug te brengen tot drie hoofdelementen: de Rede, de Wil en het Hart (of de liefde). In het dagelijkse leven ervaart het individu echter voortdurend zijn eigen beperkingen: ons verstand schiet tekort, onze wilskracht botst op fysieke grenzen en onze liefde is feilbaar. Via de verbeelding maakt de menselijke geest deze drie essentieel menselijke eigenschappen los van het individuele zelf en vergroot ze onbegrensd uit tot een ideëel Godsconcept. De menselijke rede, bevrijd van haar grenzen, wordt geobjectiveerd tot Gods Alwetendheid; de menselijke wil wordt opgetild tot Gods Almacht, en de menselijke behoefte aan onvoorwaardelijke genegenheid wordt gekroond tot Gods Algoedheid – ‘God is Liefde’. Al die ‘goddelijke attributen zijn in werkelijkheid niets anders dan geperfectioneerde menselijke eigenschappen, geprojecteerd op een transcendent Godsconcept.

Met deze analyse legde Feuerbach een speculatief en intuïtief fundament dat 180 jaar later naadloos aansluit bij de hedendaagse Cognitieve Religiewetenschap (CSR). Zoals antropoloog Stewart Guthrie aantoont in zijn klassieker Faces in the Clouds, en Johan Braeckman illustreert in zijn inleiding, is religie in de kern een vorm van ‘systematisch antropomorfisme’. Ons brein is evolutionair geprogrammeerd met wat wetenschappers een Hyperactive Agency Detection Device (HADD) noemen: een te sterk afgestelde cognitieve ‘rookmelder’ die in een onzekere oeromgeving liever tien keer een onbestaande actor of geest veronderstelt in het ritselen van de struiken, dan één keer een echt roofdier over het hoofd ziet. Wat CSR-onderzoekers vandaag analyseren via fMRI-scans en evolutiebiologie, doorzag Feuerbach al met zijn filosofische analyse: de mens is geconditioneerd om menselijke intenties, gevoelens en doelen op de blinde kosmos te projecteren. Theologie is, in de diepste zin van het woord, psychologie, of zoals Feuerbach het formuleert: theologie is antropologie. Theologie gaat niet over God, maar over wie wij als mens zijn. Zijn methode is even eenvoudig als radicaal: waar de theologie het predicaat tot subject verheft – de liefde, de wijsheid en de macht die zij God noemt – draait Feuerbach de verhouding weer om en geeft die eigenschappen terug aan hun ware drager, de mens.

Nergens wordt die omkering zo tastbaar als in het centrale mysterie van het christendom zelf: de menswording. ‘God is mens geworden’ – het klinkt als het toppunt van goddelijke neerbuiging, maar Feuerbach leest het als een bekentenis. Als God mens kón worden, dan was het goddelijke wezen van meet af aan het menselijke wezen. Dan drukt het dogma, in versluierde vorm, precies uit wat Feuerbach openlijk zegt. Het christendom geeft hier zijn eigen geheim bloot. Feuerbach hoeft de religie niet van buitenaf te weerleggen – hij hoeft haar alleen bij haar woord te nemen.

Maar dat psychologische projectiemechanisme heeft een bijzonder negatieve schaduwzijde: het leidt volgens Feuerbach tot een diepe, tragische zelfvervreemding (Entfremdung). Want de theologische som is genadeloos: alles wat de mens aan God toeschrijft, trekt hij van zichzelf af. Om God oneindig rijk, alwetend en almachtig te maken, moet de mens zichzelf wel klein, onwetend en zondig verklaren. Hoe groter en volmaakter de hemelse schepper wordt gemaakt, hoe armzaliger het aardse schepsel overblijft. De mens zuigt als het ware zijn beste kwaliteiten uit zichzelf weg en verplaatst ze naar een onbereikbare entiteit. Zo ontstaat de ultieme religieuze paradox: de mens buigt nederig in het stof voor een fictief opperwezen, smekend om genade en verlossing, volstrekt blind voor het feit dat hij knielt voor een vervreemd spiegelbeeld van zijn eigen menselijke vermogens.

Dit inzicht sloeg in 1841 in als een bom. Ook de jonge Karl Marx raakte aanvankelijk begeesterd door Feuerbachs concept van religieuze zelfvervreemding. Toch nam Marx al snel afstand. Hij wierp tegen dat Feuerbach halverwege was blijven steken: hij legde weliswaar uit hoe de mens God schept, en zag zelfs de psychologische wortel ervan, maar liet na de maatschappelijke voedingsbodem aan te wijzen die de behoefte aan zo’n illusie voedt. Religie was volgens Marx geen puur psychologische misstap, maar het symptoom van materiële en economische uitbuiting – het ‘opium van het volk’. En wanneer maatschappelijke ellende de oorzaak is van die behoefte aan opium, moeten we niet de illusie bestrijden, maar de uitbuiting opheffen. Vandaar zijn bekende stelling dat de filosofie de wereld niet louter moet interpreteren, maar haar moet veranderen.

Maar waar het latere marxisme het individu dreigde te reduceren tot een economische klasse of een radertje in een historisch systeem, bleef Feuerbach de mens zien als een zintuiglijk en emotioneel wezen van vlees en bloed. Feuerbachs humanisme zoekt de bevrijding niet in een dogmatische politieke ideologie, maar in de oprechte, fysieke en affectieve ontmoeting tussen mensen – in wat hij de bevrijdende dialoog tussen ‘Ik en Gij’ noemde. Hiermee liep hij 80 jaar vooruit op de dialoogfilosofie zoals de joodse godsdienstfilosoof Martin Buber die later uitwerkte.

In die concrete dialoog tussen mensen ligt voor Feuerbach de sleutel tot onze definitieve bevrijding. Als theologie immers niets anders is dan gealiëneerde antropologie, dan bestaat de oplossing niet uit het verwerpen van onze emotionele en intellectuele krachten, maar uit het heroveren ervan. Feuerbachs filosofie biedt zo de ultieme remedie tegen elke vorm van dogmatische zelfloochening. Want als ‘Goddelijke Liefde’ in essentie de menselijke capaciteit tot liefde is, waarom zouden we die kostbare kracht dan nog langer verkwisten aan een illusoir hiernamaals of aan de verblindende geboden van religieus fanatisme?

Feuerbach zag dat gevaar zelf al scherp in. In het slot van zijn boek plaatst hij het gelóóf tegenover de liefde. Het geloof, zo betoogt hij, is naar zijn aard particulier en uitsluitend: het scheidt de gelovige van de ongelovige, en waar het consequent wordt doorgedacht, veroordeelt en vervolgt het wie buiten zijn grenzen valt. De liefde daarentegen kent geen dogma, alleen de mens die tegenover haar staat. Waar het geloof scheidt, verbindt de liefde. Feuerbach koos ondubbelzinnig partij voor de liefde – en juist daarin reikt hij het seculiere humanisme zijn scherpste wapen tegen het fanatisme aan. Van sektarische ontsporingen en gewelddadige aanslagen tot de gevaarlijke vermenging van theologische dogma’s met politieke macht: de geschiedenis herinnert ons er op ongemakkelijke wijze aan waar het totale opofferen van de menselijke autonomie aan een geobjectiveerde absoluutheid toe kan leiden. Wanneer de mens zijn moraal volledig uitbesteedt aan een hemelse autoriteit, raakt hij blind voor de reële menselijkheid van zijn medemensen.

Feuerbach roept ons op tot de radicaal omgekeerde beweging: we moeten onze morele krachten direct richten op de concrete medemens (der Mitmensch) in het hier en nu. Het Latijnse spreekwoord dat hij tot zijn leidmotief verhief, raakt de kern van het seculier humanisme: Homo homini deus est – de mens is voor de mens een god. Niet in de zin van hybris of hoogmoed, maar in het besef dat menselijke waardigheid, solidariteit en rechtvaardigheid hun eigen, intrinsieke waarde bezitten. Ze hebben geen goddelijke volmacht of sanctie nodig om geldig te zijn.

Ludwig Feuerbach heeft ons niet beroofd van onze waardigheid. Hij heeft haar simpelweg teruggegeven aan de enige plek waar ze werkelijk thuishoort: bij de mens en op de aarde. In een tijdsgewricht waarin religieus dogmatisme onze Verlichtingswaarden opnieuw onder druk zet, blijft zijn erfenis een onmisbaar baken van inzicht. We hebben geen God of religie nodig om het goede te doen. Er schuilt dan ook een enorme kracht in een seculier humanisme dat zich niet verliest in een geobjectiveerde, van onszelf vervreemde Godheid, maar zich concreet tussen mensen verweeft.

Feuerbach laat ons zien dat het rijpste inzicht dat de mensheid over zichzelf kan verwerven de erkenning is dat onze capaciteit tot rede, vrijheid (autonomie) en liefde ons eigen kostbaarste bezit is. Onze moraal en onze zoektocht naar een rechtvaardige samenleving hebben geen hemelse toestemming of theologische volmacht nodig. Feuerbachs filosofie is een daad van diep menselijk eerherstel. Het is tijd dat we de theologische spiegel aan diggelen slaan en de verantwoordelijkheid voor onze wereld en voor elkaar definitief in eigen handen nemen.

Over de auteur:

Kurt Beckers

Een artikel uit: editie oktober 2026

Misschien bent u ook geïnteresseerd in…

Vier mythes van het ecomodernisme ontkracht Marco Visscher

Vier mythes over ecomodernisme

Oktober 2019 | 5 minuten

Het ecomodernisme is een groeiende stroming van pragmatische milieubeschermers en armoedebestrijders. Als sympathisant en co-auteur van een boek over ecomodernisme stoort journalist Marco Visscher zich aan de karikaturen die van het ecomodernisme worden geschetst.

Susan Neiman - Over Donald Trump en het kwaad

Over Donald Trump en het kwaad

Oktober 2019 | 5 minuten

Is Donald Trump intrinsiek kwaadaardig, of is hij slechts een amorele opportunist die alleen uit is op geld en macht? Volgens de Amerikaans - Duitse moraalfilosofe Susan Neiman komt het niet aan op intenties, maar zijn het de gevolgen van het handelen die bepalen of iemand goed of slecht is.

Kritisch, radicaal en hoopvol - Sixtine Bérard en Sigrid Wallaert

Kritisch, radicaal en hoopvol – Sixtine Bérard en Sigrid Wallaert

Oktober 2023 | 15 minuten

Sixtine Bérard en Sigrid Wallaert brengen op de Nacht van de Vrijdenker 2023 een individueel maar ook collectief en hoopvol verhaal van zoeken naar die ene daad van verzet, in een wereld die geregeld in brand lijkt te staan.