James Ensor en de gevisualiseerde vrije gedachte.

Toen ik op de vernissage mijn collega, professor Hans De Wolf, op het lijf liep, siste hij me toe: ‘Een goede tentoonstelling, echt iets voor jou, een voor kenners.’ Ik had onmiddellijk door wat hij bedoelde. Er hingen werken van Ensors ongekende tijdgenoten. Zijn het wel goede werken? Het is weinig risicovol om met lof te zwaaien voor gekende meesters. Het ‘gekend’ zijn is een proces dat niet enkel van kwaliteit afhangt, maar ook van toevalligheden die de aandacht, al dan niet gemanipuleerd, bepalen. Voor het ongekende moet men beroep kunnen doen op een zelf ontwikkeld beoordelingssysteem.

Ensor in MUZEE

Er hangen inderdaad uit de schaduw gehaalde, verrassende werken. Dat er iets speciaals te verwachten was, liet zich ook vermoeden door andere opmerkingen links en rechts: ‘de werken hangen te dicht op elkaar’, ‘de wanden zijn niet in het wit’, ‘waarom enkel stillevens?’, ‘Ensor had alle aandacht moeten krijgen!’ Dus, kijken maar! 

Het is een bijzondere tentoonstelling. Ik bezocht ze driemaal. Ze blijft boeien, precies omdat het geen overzicht is. De klassieke retrospectieve heeft een begin, een volgorde en een einde. Op een uurtje doorloopt men de al dan niet rechtlijnige evolutie van een kunstenaar en men verwerft een beeld over het oeuvre waarmee men verder leeft. Zeer leerrijk, maar vaak ook saai.  

Een ‘retrospectieve’ suggereert dat een oeuvre ‘af’ is, zoals ook de catalogue raisonné dat bevestigt. De retrospectieve maakt chronologisch de evolutie van het werk van een kunstenaar duidelijk door zijn beste werken op een rijtje te plaatsen. Het legt een oeuvre vast, waardoor het geconsacreerd wordt. ‘Overzichtstentoonstelling’ is het Nederlandse synoniem. Met deze term wordt de angst voor onoverzichtelijkheid geluwd, een van de vele vormen van onze behoefte aan illusies. Van een ‘oeuvre’, goed gevonden woord voor een dergelijke illusie, is nooit een ‘overzicht’ te krijgen. De werken van een kunstenaar zijn nu eenmaal de stappen van het ene avontuur na het andere. Het is interessanter de blik te verklikken. Een nieuwe klik van de blik ontketenen, is de bedoeling.  

De tentoonstelling over het stilleven van Ensor is een esthetische ontheiliging en brengt ons zintuiglijk systeem in de war, waardoor ze in haar geheel zelf een kunstwerk wordt, één grote Ensor-installatie 

De tentoonstelling Rose, Rose, Rose à mes Yeux. James Ensor en het stilleven in België van 1830 tot 1930 in Oostende, is labyrintisch. In de educatieve taal van daarnet, betekent dit dat men moet zoeken, nooit weet of men het wel gevonden heeft en het er niet toe doet of men bij staart of kop aanvangt. Het betreft de leerrijkheid van de puzzel, de rebus of de opdracht van een padvinder om in het bosspel iets onbekends op te speuren. Dat speelse element maakt er een plezierig bezoek van, een feestelijk avontuur voor het oog. Het omvat zowel het speelse van de filosofie als het filosofische van het spel. 

De tentoonstelling werd gemaakt door gedegen Ensorkenners als Sabine Tavernier, die weet in welke collectie topwerken te vinden zijn, dr. Stefan Huygebaert, een kenner van de negentiende-eeuwse kunst en prof. dr. em. Bart Verschaffel. Deze laatste is filosoof en naar ik vermoed, de bedenker van het tentoonstellingsstramien dat er als volgt uitziet: een kern met de essentie van het stilleven van Ensor, toch niet in het midden en vertakkingen errond die voorlopers en tijdgenoten aanbrengen en andere banen, waar hetzelfde en het andere te zien is in de generatie na Ensor.  

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw heeft de filosofie ons geleerd dat de kern niet het ruimtelijk centrum moet zijn. De tentoonstelling zou met een te modieus geworden filosofische term als ‘rizomatisch’ kunnen bestempeld worden. Gilles Deleuze deed ons inzien dat men de oorsprong der dingen niet per se moet verklaren volgens het worteltype, waaraan het paard van Sinterklaas verknocht is. Wel volgens de metafoor van de rizoom, een wortel die zich horizontaal verspreidt en waar men begin noch einde van kan bepalen of met elkaar inwisselen. De ruimte, als een tempel waarin men deelachtig wordt aan het Ensoriaans stilleven, is omgeven door andere visuele verrassingen. Om de hoek van het sacrale centrum zijn ook meesterwerken van Ensor te zien en verder sporadisch tussen de caleidoscoop van aanverwanten. Vergeet niet naar de tweede verdieping te stijgen, want het wordt te weinig aangemoedigd door de museale indicaties. Ook daar ontdekt men, tussen de vaste collectie, interessante Ensors. 

De Geus laat me toe mijn gedacht te zeggen. Hier komt het. Ik vind James Ensor een groter kunstenaar dan Vincent Van Gogh. Waarom? Ensor kon schilderen, Van Gogh niet 

De estheten onder ons storen zich aan de te drukke ophanging. Laat ons deze afkeer beschouwen als het bewijs dat de filosofie haar werk heeft gedaan: de toeschouwer aanzetten om in de veelheid der dingen een eigen belevingszoektocht op het getouw te zetten en zichzelf een Ensoriaanse wereld te weven. De minimalistische opstelling, met één werk op een grote witte muur, sacraliseert door de esthetisering zelfs de Merda d’artista van Manzoni. Misschien terecht? Om het met Ensoriaanse beeldspraak te zeggen: waarom zou het bloed van Christus heiliger zijn dan zijn stront?  

De tentoonstelling over het stilleven van Ensor, is dan ook een esthetische ontheiliging en brengt ons zintuiglijk systeem in de war, waardoor ze in haar geheel zelf een kunstwerk wordt, één grote Ensor-installatie, een nature morte environment. Dit desacraliseren sluit aan bij de werking van het oeuvre van Ensor, ons met de neus op de werkelijkheid duwen, deze van de schijn, de valse burgerlijke waarden. Ik wil nog even vermelden dat er een voortreffelijke catalogus voorhanden is, met bijzonder interessante teksten. 

Ensor zette via zijn maskers de toon voor zowel het surrealisme, dat in België een volkse oorsprong heeft, als het expressionisme, daar waar de vormgeving in de buurt van de overdrijvingen van de karikatuur komt 

DE MISKENDE VLAAMSE KUNST 

In de wetenschappelijke tijdschriften waarin ik professioneel verondersteld was te publiceren, zou ik het niet als hypothese durven te beweren. Allicht zou ik het ook niet toevertrouwen aan een van de per definitie elitaire kunstbladen. De Geus laat me toe mijn gedacht te zeggen. Hier komt het.  

Ik vind James Ensor (1860-1949) een groter kunstenaar dan Vincent Van Gogh (1853-1890). Waarom? Ensor kon schilderen, Van Gogh niet. Dit is geen geringschatting van het oeuvre van Van Gogh. Hij behoort internationaal tot de grootsten en terecht, maar Ensor ook. De evolutie van hun ‘talent’ gebeurde diametraal tegenover elkaar. Bij Van Gogh zijn het de sporen van zijn moeizame drijfkracht om het te kunnen en zodoende een bijzonder eigen stijl te ontwikkelen, wat het nieuwe principe van de moderne kunst is geworden. Ensor daarentegen, liet zijn kunnen varen en speelde met het imperfecte. Naast een klassiek oeuvre gaf hij de grote lijnen van de moderniteit aan. Kunsthistorisch gezien, beperkte Van Gogh zich tot het post-impressionisme. Hij manifesteerde zich als de belangrijkste artiest, weliswaar in een post-beweging. Ensor was een voorloper. Hij brak zo snel als mogelijk met het heersende post-impressionisme en werd een belangrijke vertegenwoordiger van het symbolisme: de stroming die figuren en objecten niet zozeer hun algemene betekenis gaf, maar er symbolistisch een emotionaliteit aan toevoegde. De maar al te letterlijke nature morte, zijn moeder op haar sterfbed, is niet zozeer een ultiem portret, maar een aanklacht tegen de geneeskunde en haar pillendraaiers. Nog een voorbeeld: het zelfportret voor de spiegel van zijn jongere stadsgenoot, Léon Spilliaert (1881-1946), is vooral de verzinnebeelding van existentiële angst. Spilliaert was enkel symbolist. Ensor zette via zijn maskers ook de toon voor zowel het surrealisme, dat in België een volkse oorsprong heeft, als het expressionisme, daar waar de vormgeving in de buurt van de overdrijvingen van de karikatuur komt. Bij sommige vlakken voel je ook de uitdaging van de abstractie, het autonome spel van vorm en kleur. 

Vandaag zitten de Fransen verveeld met de term nature morte en geven ze toe dat de Vlaamse benaming ‘stilleven’, meer de lading dekt 

Van Gogh heeft een grotere naam gekregen, omdat hij peintre français is geworden. Was hij op klompen blijven lopen, het had er helemaal anders uitgezien. Deze bedenking over de belangrijkheid van Ensor kan verruimd worden tot een upgrading van de Vlaamse moderne kunst. De Franstalige Belgen hebben op zijn minst één goed voorbeeld: René Magritte (1898-1967) is internationaal de belangrijkste surrealist. Maar is het aangehaalde zelfportret van Léon Spilliaert niet even sterk als De schreeuw van Edvard Munch (1863-1944)? De frisse volkse droomwereld van Edgard Tytgat (1879-1957) boeit me meer dan de slijmerige religieuze taferelen van Marc Chagall (1887-1985). Zijn de vervreemdende ruimten van Gustave Van de Woestyne (1881-1947) niet even krachtig als deze van Giorgio de Chirico (1888-1978)? Is Constant Permeke (1886-1952) geen top-expressionist? Enzovoort. 

HET STILLEVEN ALS SECULIER GEGEVEN 

Vandaag zitten de Fransen verveeld met de term nature morte en geven ze toe dat de Vlaamse benaming ‘stilleven’, meer de lading dekt. Dat was overigens de plaats waar het stilleven in de zestiende eeuw tot bloei kwam. Na de Romeinse periode is het thema van de voorstelling van objecten duizend jaar verbonden geweest aan een christelijk discours. De aardse etalage van de producten van de boerderij drongen de religieuze taferelen van de kerk op de achtergrond. Denk maar aan het werk van Joachim Beuckelaer (1534-1574). Toch werd in de zeventiende-eeuwse hiërarchie van de genres, opgesteld in 1667 door de hofhistoricus van Lodewijk XIV, André Félibien (1619-1695), de nature morte het laagst ingeschat, terwijl de historische taferelen de hoogste plaats verkregen. 

De eerste kunsthistorische invraagstelling van die laatste plaats in de hiërarchie, gebeurde in 1952 door Charles Sterling (1901-1991) met de tentoonstelling La Nature Morte, de l’Antiquité à nos jour in de Orangerie des Tuileries. Pas in 2022 kwam er in het Louvre een overtuigende tentoonstelling om de minachting voor het genre te weerleggen. Omdat het gebruik van nature morte niet voldeed en zelfs door de conservatrice, Laurence Bertrand Dorléac, stupide genoemd werd, kreeg ze de eenvoudige naam Les Choses, une histoire de la nature morte. Motto was een zin van Victor Hugo: ‘Car les choses et l’être ont un grand dialogue.’ Hoewel ik fier ben dat ‘stilleven’ er voor Stilleben en Still life was, moeten de Fransen niet zo treuren over nature morte. Het gaat immers op het niveau van de connotatie vaak over het efemere (kortstondige, nvdr) van het leven en er is een link, zeker als er een doodshoofd en een kaars in het tafereel betrokken wordt, met het memento mori vanitas thema. Uiteraard is het een verdienste van kunstenaars om in hun schilderijen de ‘dingen’ tot leven te brengen. Misschien zou culture vivante wel een juistere naam zijn. Hoe dan ook is het een belangrijk aspect van het humanisme uit de renaissance om het aardse van de dingen weer in eer te hebben hersteld, ontdaan van duizend jaar christelijke symboliek, terug naar een gebruik van de antieken. In Brussel zou men zeggen: een spruit is een spruit is een spruit. 

DE VISUALISERING VAN HET VRIJE DENKEN 

Er is nog een reden waarom ik James Ensor verkies boven Vincent Van Gogh. Deze laatste was een diepgelovige protestant uit een predikantenfamilie, die zelf gaan prediken is in de Borinage. Niet iemand waar je van droomt om eens een glas absint mee te drinken. Voor een terrasje met Ensor had ik graag een eeuw vroeger geboren geweest: vrijdenker, humorist, intellectueel en levensgenieter.  

De Nederlandse versie maakt er geen gewag van, maar de Engelse Wikipedia deelt ons mee: ‘…although Ensor was an atheist, he identified with Christ as a victim of mockery.’ Ensor voelde mee met het verhaal van Christus als voorwerp van de spot die hij ook te verduren had gekregen. Als symbolist is het voor de hand liggend dat zijn religieuze figuren er niet staan als devote uitbeeldingen van de gewijde geschiedenis, maar als metaforen voor wat er allemaal misgaat in de maatschappij. Ik weet niet of Ensor Nietzsche heeft gelezen, maar de identificatie is gelijkend, zoals men uit zijn Ecce Homo verneemt.  

Voor een terrasje met Ensor had ik graag een eeuw vroeger geboren geweest: vrijdenker, humorist, intellectueel en levensgenieter 

Nietzsche is ook een goede invalshoek om de maskers van Ensor te interpreteren. De heersende opvatting is dat het masker een voorwerp is dat dient om het gelaat te bedekken en zo de identiteit te verhullen. Achter het masker zou de ware aard verscholen gaan. Nietzsche breekt met deze opvatting, door te stellen dat een masker een ander masker verbergt. Identiteit is niet iets dat onwrikbaar vastligt, maar bestaat uit een verzameling van maskers. Bij Ensor zijn het de mombakkesen (maskers, nvdr) van de valsheid van die zogenaamde identiteiten. Hij hekelt de bourgeois hypocrisie van zijn tijd.  

Interessanter dan een atheïsme, dat het zonder god kan stellen als basis voor moraal, is de anti-burgerlijkheid, die zich verzet tegen vastgeroeste gewoonten. De dwang van de tot regels gemaakte gebruiken en gewoonten is immers meer determinerend voor het leven dan de moraal, die toch altijd wat buiten de realiteit verloopt. Ensor spuwde kritiek op die burgerlijke schijnheiligheid. Hij deed dit via het carnavaleske en het groteske. Het carnaval kenmerkt zich door de jaarlijkse kortstondigheid van het volkse protest, waardoor het ook als een tijdelijke uitlaatklep kan worden bekeken, die uiteindelijk bevestigend werkt. Carnaval is geen revolutie, al heeft men mei ’68 vaak als een feest bekeken. Een geschilderd carnavalesk protest is van blijvende aard, al wordt dit als deel van een collectie gedempt: een veroverde trofee van de anti-kapitalistische kritiek.  

Het ‘groteske’ kent een lange geschiedenis. In het theater vindt men het al bij de Griek, Aristophanes, en bij de Romein, Plautus. De benaming stamt pas uit de vijftiende eeuw, toen men onder de Domus Aurea van Nero ging graven en er fresco’s vond, die als het ware uit een grot (Italiaans: grotto) kwamen. In de literatuur wordt grotesk voor het eerst gebruikt in Frankrijk, onder andere bij Rabelais, wat de thematiek reeds laat vermoeden. Het zijn grillige beelden die men niet gewoon is om te zien. De normen van de menselijke harmonie worden verstoord. In tegenstelling tot het klassieke lichaamsschema dat gesloten, afgerond en afgescheiden is, wordt het groteske lichaam, volgens de Russische literatuurtheoreticus Mikhaïl Bakhtine (1895-1975), gekenmerkt door grensoverschrijding, buitenmaats naar voren springende lichaamsdelen (neus, penis, borsten, achterste), openingen (mond en vulva) en desintegratie. Het groteske is volgens Bakhtine een levensbevestigend en ambivalent gegeven. Het houdt zowel een destructie als een regeneratie in: leven en dood zijn onlosmakelijk verbonden.  

Dit genre uit de literatuur bracht Ensor in zijn schilderkunst. Ze vormt een boeiende ontkenning van zijn klassieke stijl en laat daardoor zijn artistiek kunnen overleven. Het is de noodzakelijke ironie die de waarachtigheid bevestigt. Belangrijker dan de maskers bij Ensor, lijkt me zijn ontmaskering, zoals die in de topvoorbeelden voorkomt: ‘De slechte geneesheren’, ‘de goede rechters’ en ‘de intrede van Christus in Brussel’, als een blasfemische parodie op een processie. 

Als symbolist is het voor de hand liggend dat Ensors religieuze figuren er niet staan als devote uitbeeldingen van de gewijde geschiedenis, maar als metaforen voor wat er allemaal misgaat in de maatschappij 

Zwaar volk daar in Oostende als men ziet hoe Ensor zijn beelden aan de populaire cultuur ontleend heeft. Vandaag lijkt me de beeldcultuur van Herr Seele interessanter dan deze van Hergé. Geef mij maar Cowboy Henk, liever dan het gecastreerde Kuifje. 

Ook Brussel heeft een grote rol gespeeld in het leven van James Ensor. Hij kwam er in contact met de vrijzinnige sfeer van die stad. Dat wordt getoond in de tentoonstelling van de Koninklijke Bibliotheek James Ensor. Inspired by Brussels. In Oostende zijn dit jaar talrijke activiteiten rond Ensor te beleven. Het wordt uitkijken naar de tentoonstelling in Antwerpen (28 september 2024), waar het KMSKA de grootste collectie Ensors ter wereld heeft.  

Wat spijtig dat James niet meer leeft. Het zou boeiend zijn om te zien hoe hij een schilderij maakt over al het gedoe in dit feestjaar: ‘De uittrede van Ensor’. 

Willem Elias


Wil je de papieren versie van De Geus thuis ontvangen? klik hier voor meer informatie.
Over de auteur:

Willem Elias

Een artikel uit: editie April 2024

Misschien bent u ook geïnteresseerd in…

Het Humanistisch Sculpturenpark

Juli 2021 | 15 minuten

Veertien monumentale openluchtsculpturen vormen samen de permanente collectie van het Humanistisch Sculpturenpark op de Campus van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Een unieke, culturele bezienswaardigheid.

foto van het interieur van het vernieuwde Wintercircus in Gent

Eeuwig panopticon van dromen: het Gentse Wintercircus gaat weer open

Januari 2024 | 10 minuten

‘Het Wintercircus is uniek in zijn soort.’ Dat zijn de woorden van Geert Willemyns. Hij is één van de architecten van het Gentse bureau Baro, dat de recente renovatie van het gebouw voor zijn rekening nam. Uniek is vaak een gratuit modewoord, maar hier betekent het wel degelijk enig. Het Wintercircus is immers het laatste stenen circus ter wereld. En er zijn wel meer redenen waarom het Gentse gebouw generatie op generatie blijft betoveren.